Geloof

In gedachten verzonken.
In je hoofd hoorde je alleen bonken.
Niks was meer duidelijk voor jou,
niets meer dan rauw.
Tranen stonden je nader dan het lachen.
Er was niemand in jou leven,
die jou stond op te wachten.
Waarom moest jou dit over komen?
Wat is nu een leven zonder mooie dromen?
Ik wil er voor jou zijn
en deel je verdriet en je pijn.
Verlos jezelf van al je ellende.
Al gil je tot God, die jij zo graag wilt zien,
dat die jou van deze ellende verlost.
Maar als hij  zal bestaat waarom heeft hij
jou dan zolang in de kou laten staan?
Waarom laat hij dan alle ellende voortbestaan.
Hier en daar zie je een traan.
Ik denk dat het zo is: "Een preek is mooi,
maar het is en blijft toch een rotzooi op de wereld."
En zie het bij jou.
Ik zie jou als een lieve vrouw
die teveel achter haar kiezen heeft
en dus nog steeds in haar verleden leeft.

Jij gelooft niet,
jammer dat ik het zo ziet.
Zij gelooft wel,
zij trekt bij jou aan de bel.
Wil jij geloven,
net als haar dan wel?
Geloven in een God
of geloven in jezelf?
Geloven in een goede en een gezonde wereld?
Geloven in vrede?
Dat doen wij nu met ons tweeën.
Laten wij hopen dat er meer met ons zal geloven.
Op rust en vrede in de wereld.

In zeker dorp, het was gelegen
in de nabijheid van de zee,
had men voor 't zielenheil verkregen
een zeer godvruchtig dominee,
die door zijn ijverig studeren,
verhelderend door de Geest des Heeren,
een schat aan kennis had vergaard.
Hij kon bij alle welgezinden
in huis en hart ras ingang vinden
door ernst, met minzaamheid gepaard.
Het merendeel der dorpelingen
ging daag'lijks, om voor 't huisgezin
Het nodig voedsel aan te brengen
Met visserspink de waat'ren in
Om met de netten, bij het zwalken
't Geschubd gedierte te verschalken,
Dat in deez' zoute waat'ren leeft
En dat de Schepper aller dingen,
Voor mensen, broze stervelingen,
Tot voedsel verordend heeft.
Maar als de rustdag was verschenen,
Wiens viering ons Gods wet gebiedt,
Dan ging een ieder kerkwaarts henen
En dacht men aan het vissen niet.
Men kwam tot God, met zang en bede
En hoorde daar des leraars rede,
Gegrond op 's Heeren heilig Woord.
En wat hij dan vol geestdrift zeide,
Aan vromen en god'lozen beide,
Werd met ontroering aangehoord.
Hij bracht door zijn gelovig spreken,
Verscheiden blinden tot het licht;
Die in 't geloof schier was bezweken,
Werd door zijn woord weer opgericht.
Hen, die naar ziel en lichaam leden,
Gedacht hij steeds in de gebeden,
Zo in zijn huis als in de kerk.
Ja, door getrouwe ambtsbetrachting
Verwierf hij ieders liefde en achting
En God schonk zegen op zijn werk.
Maar zie, in deez' gemeente woonde
Een vissersman, reeds hoog bejaard,
Die God met woord en daden hoonde,
Van alle menselijkheid ontaard.
Voor spijs en drank de Schepper 't eren,
En 't vieren van de dag des Heeren,
Was in zijn oog onzinnigheid.
Gekluisterd aan der zonden keten
Wist hij van reden noch geweten,
Noch 't leven tot in eeuwigheid.
En zo iemand durfde wagen
Hem 't een of ander voor te dragen,
De vrucht daarvan was schimp en spot.
Dan voer hij uit in 't schrikkelijk vloeken
Op d'inhoud van het Boek der boeken.
Zodoende was er niemand meer
Die bij hem ooit gewag dorst maken
Van God en goddelijke zaken,
Alleen uit eerbied voor de Heer.
De leraar was slechts kort geleden
Geplaatst in deze nieuwe kring,
Toen hij reeds rondging bij zijn leden
Tezamen met een ouderling.
Om ieders toestand te ontdekken
En tragen ernstig op te wekken,
Om troost te bieden waar men leef.
Hij dacht ook een bezoek te geven
Aan d'oude visser die zijn leven
Zo buiten God en Christus sleet.
Doch de ouderling vond niet geraden,
Dat aan dit oogmerk werd voldaan.
"Wilt gij Gods Naam niet horen smaden",
Sprak hij, "laat ons dan verder gaan.
Deez' man is blind voor alle reden,
Laat ons aan Hem geen tijd besteden,
Uw ijver zal hier vruchteloos zijn.
Door hem met wijsheid te onderrichten,
Zult gij in plaats van nut te stichten,
Slechts paar'len werpen voor het zwijn."
De leraar kon geen vrijheid vinden
Gevolg te geven aan die raad.
"God opent wel 't gezicht der blinden,"
zo sprak hij, "met het slijk der straat!
Misschien wordt nog mijn nietig pogen,
Versterkt door zegen uit den hogen,
En ligt het in de raad des Heeren
Dat wij hier vrucht'loos wederkeren,
'k Volbracht dan toch mijn leraarsplicht."
Zij gaan dan binnen met hun beiden.
De grijsaard, op zijn ruwe stoel
Zeer ijv'rig om een net te breien,
Ontvangt het tweetal bars en koel;
En ziet hen aan met norse blikken,
Toch waagt men hem op zij te schikken.
De leraar, vriendelijk en vrij,
Spreekt als in 't vak zeer wel ervaren
Van netbreikunst, van klos en garen,
Van weer en wind en visserij.
En daar de trant van redeneren
De grijsaard wel ter harte gaat,
Ziet men al spoedig wederkeren
De gulheid op zijn strak gelaat.
Al wat men vraagt wil hij verklaren;
Vertelt van 't zwerven op de baren,
Van 's vissers voor- en tegenspoed.
Van avonturen in zijn leven,
Van daden die hij heeft bedreven,
Die blijken gaven van zijn moed.
De dominee toont geen verveling
maar stelt hem vragen keer op keer,
En lokt tot nieuwe mededeling
de oude visser telkens weer.
Doch eind'lijk moet men toch weer vertrekken;
Dat echter het bij deez' gesprekken
Slechts over aardse dingen ging,
De leraar, als door vrees bevangen
Niets rept van d'eeuwige belangen;
Zie, dat bevreemdt de ouderling.
En toen hij 't huis nu zou verlaten,
Sprak d'oude vriendelijk:" Maar mijnheer,
Gij kunt toch wonderaardig praten,
Kom alstublieft spoedig weer;
Ik spreek zo graag eens van die zaken,"
De leraar sprak:" Wie zou dat wraken!
Ook ik heb ijver voor mijn werk,
Dus als gij mij als vriend wilt eren
Ei...kom dan op de dag des Heeren
Mij ook een horen in de kerk!"
Dat scheen hem worden voor te komen
Hij bleef een weinig zwijgend staan,
Doch spoedig sprak hij, zonder schromen:"
Neen, neen, mijnheer, dat zal niet gaan.
'k Ging soms ter kerk in de vroegere dagen,
Maar nooit werd daar iets voorgedragen
Dat mij bijzonder wel beviel,
Daar wordt van vissen niet gesproken,
Daarom kan 't met mijn zin niet stroken,
Want visser ben 'k met lijf en ziel."
"Belooft gij mij," zo sprak de herder,
"Te komen met de nieuwe week,
'k Beloof u vriend," zo ging hij verder,
"Dat gij daar veilig staat op maken,
Gij weet nu, dat ik over zaken
Van visserij praten kan.
Ik zal dan ook eens al die dingen
Heel deftig op de preekstoel brengen.
Welnu, kom aan, wat zegt g'ervan?"
"Ik zeg, kan men van vissen spreken,
Dan kan het niemand zoals gij!
Nooit hoorde ik een heerschap spreken,
Die zoveel wist van visserij.
Maar dit nu zeg ik u te voren,
Ik zal de preek dan komen horen.
Als het niet uitkomt naar mijn zin,
Dan zal ik vlug de kerk verlaten
En of ge nog zo mooi zult praten,
Gij krijgt er mij dan nooit weer in."
Nu ging de herder huiswaarts keren,
Waar hij zijn stil vertrek betrad.
Opdat hij daar de Heer der heren
Voor deez' verstokte zondaar bad.
Dat Hij Zijn zegen neer mocht zenden
Op 't geen hij verder aan zou wenden
En dat, uit goedheid zonder peil,
Het God in Christus mocht behagen,
Die oude, aan het einde zijner dagen
Te brengen tot het eeuwig heil.
En toen met d' eerste zondagmorgen
Het klokgelui en orgelspel
De mens ontlokte aan d'aardse zorgen
En nodigde, om op Gods bevel
In 's Heeren tempel te vergaren,
Toen zag men met de grote scharen
Ook d'oude visser kerkwaarts gaan.
Wie hunner had ooit kunnen dromen
Dat zulk een man ter kerke zou komen,
Daar in de voorste rij zou staan?
De leraar had tot tekst genomen
't Verhaal, hoe Jezus langs de kant
Van 't Galilese meer gekomen
Twee broeders vissen zag aan 't strand,
Die hij beval het werk te staken.
Omdat Hij plan had hen te maken
Tot mensenvissers op deez' aard.
Waarop zij willig met Hem gingen,
Opeens vervuld met and're dingen,
Hun meer dan aardse schatten waard.
Nu sprak hij in zijn tekstverklaring
Van bijna niets dan visserij.
Wat hij door studie en ervaring
Er maar van wist dat bracht hij bij.
En daar het hem aan kracht van spreken
Door 's Heeren gunst niet mocht ontbreken,
Zo trof zijn voordracht iedereen.
En d'oude, als in zichzelf verloren,
Volgd' hem met ogen en met oren,
Geen woord ontglipt' hem zo het scheen!
Maar aan het eind der rede wendde
De spreker zich tot ieders hart.
Hij toont de zondaar zijn ellende,
Hoe roek'loos hij Gos almacht tart.
En hoe hij na 't hoogmoedig brallen
Eens in des Heeren hand zal vallen,
Wiens heil'ge wet hij daaglijks schond.
Om dan voor eeuwig om te komen;
Tenzij hij worde aangenomen
In 't zaligmakend vreeverbond.
Hij schilderde met sterke woorden
De eeuwige rampzaligheid,
Die allen, die Gods stem niet horen,
ontwijfelbaar is toebereid.
Maar om dezulken op te beuren
Die hunne zonden diep betreuren,
Wees hij op 't kruis van Golgotha,
Waar allen, die God waarlijk zoeken,
Hoe zwaar de wet hen moog' vervloeken
Een troostbron vinden van Gena.
Hoe zit de oude man verslagen
Als in dit uur des Heeren Woord,
Waarnaar hij nimmer wilde vragen
Hem als een zwaard het hart doorboort.
Hij kan Gods stem niet langer smoren
En zonder zich aan iets te storen
Roept hij:" Hoe hebt gij mij in 't net."
De leraar spreekt:" 't Zij u ten zegen,
Zo ik u heb in 't net gekregen
Wordt gij door God er uit gered!"
En zie, na 't horen dezer rede,
Mist de oude man zijn vroegere rust.
Hij heeft nu met zichzelf geen vrede
Maar, nog zijn toestand onbewust,
Kan hij de ware troost niet vinden.
Hoe hij zich keren mocht of wenden,
Hij draagt de kwelling met zich mee
En voelt zich telkens aangedreven
Naar 's leraars huis zich te begeven,
Het ging nu om het wel en wee.
Daar wordt hem de evangeliewaarheid
Eenvoudig, duid'lijk uitgelegd.
Dat geeft de ziel de rechte klaarheid
Die zich weldra met vastheid hecht,
Aan 't offer voor Gods gunstgenoten,
Aan 't bloed op Golgotha vergoten,
En dat geeft hem allengskens moed
Om met zijn gruwelijke zonden
Te schuilen in des Heilands wonden,
In hem te zien zijn enig goed.
Hij voelt de rust nu wederkeren,
Maar zoeter ruste dan voorheen.
Met vast getuigenis des Heeren
Is 't anker zijner hoop alleen.
Daar steunt hij op met vast vertrouwen,
Men hoort hem 's Heeren lof ontvouwen,
Die in hem stookt een liefdesvlam,
Die hem aan d'afgrond heeft ontheven
En zeker 't volle loon zal geven,
Ofschoon hij 't elfder ure kwam.
Nu was het dierbaar Woord des Heeren,
Voor zijne ziel een volle bron,
Waaruit hij ware wijsheid leren
En zoete troost verkrijgen kon.
De kerk is nu voor d'oude grijze
De plaats waar hij de rechte spijze
Voor zijne grage ziele vindt.
De leraar die zijn hart mocht breken
Is meer dan na het eerste preken
Des ouden vissers besten vrind.
Nu bracht hij onder 't zee-bevaren
Geen roekeloze vloeken meer,
Maar ziet nu in d'afgrond van de baren
De wonderwerken van de Heer!
En of hij ruim of schraal mocht vangen,
Toch hoort men vaak zijn dank'bre zangen
Weergalmen over het watervlak.
Er is hem weinig hier gegeven
Hij slijt de avond van zijn leven
Tevreden onder 't rieten dak.
Zo wordt de zondaar heengedreven
Naar 't eeuwig heil, dat hij veracht.
Zo wordt hij op de weg ten leven
steeds tegen zijne wil gebracht.
Nooit zal hij naar de Heere vragen
Hij slijt gerust zijn levensdagen
Al woelend in het aardse dal.
Totdat hem God ontrukt aan 't kwade.
Dat is de grootheid der genade,
Die nooit volprezen worden zal.
Gij, die God vreest, de Heere hulde!
Wijd al uw krachten Hem alleen,
Die Zijn beloften reeds vervulde,
Hoe duister vaak Zijn weg ook scheen.
Die Hij verordend heeft tervoren
Zal Hij Zijn roepstem eens doen horen;
Hen oefenen in zaligheid.
En onbevlekt rechtvaardig maken,
Hem eens het hoogst geluk doen smaken
In d'eindeloze heerlijkheid.

Vol overtuiging van geloof
dansen de Indianen de regendans.
Vol overtuiging van geloof
verbergt de Turkse vrouw haar gelaat.
Vol overtuiging van geloof
kijkt de waarzegster in haar glazen bol.
Vol overtuiging van geloof
vermoordt een Afghaan zijn medemens.
Vol overtuiging van geloof
zijn culturen met normen en waarden ontstaan.
Vol overtuiging van geloof
is een ieder zijn eigen kant opgegaan...

Als geloof geen bergen meer kan verzetten,
dan pas is er een heel diep dal.
Als hoop geen moed meer geeft in een zware tijd,
ben je weerloos en verloren in de strijd.
Heb je iemand om je heen die niet meer geloofd, dat zijn gebeden woorden gehoord.
Bid jij dan voor hen met heel je hart
en een eerlijk woord.

Gitzwarte ogen,
ze kijken me aan.
Onbewogen,
zien ze mij een kant op gaan.
Ze houden me in de gaten,
maar ik voel ze niet.
Ze kunnen mij niet alleen laten...
Het zijn God's ogen
die je niet voelt en ziet...