1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

Op een mooie nacht
alles was donker.
Geen mens te zien.
Je liep over een bospad,
het hobbelde onder je voeten.
Het was stil, heel stil.
Niets te horen of te zien.
Opeens begonnen de bomen te praten.
Je had het te laat in de gaten.
Je werd bang, bang voor het onbekende.
Je begon iets harder te lopen.
De bospaden werden smaller en smaller.
Je kwam aan bij een dikke, holle boom.
Je dacht: "Het is maar een droom."
Opeens scheen er een helder licht
en het kwam op jouw gezicht.
Je vond het eng en je hoorde opeens
een hele lieve stem.
"Kom hier, lieve meid, kom hier bij mij.
Wees niet bang."
Je keek naar de holle boom,
daar stond zij die mij riep.
Een engel met mooie, lange, witte haren.
Ogen zo blauw.
"Wees niet bang, beste meid.
Ik zal er altijd voor je zijn.
In goede tijde en slechte tijden.
Ik zal jou door je leven begeleiden.
Wees nergens bang voor
als het zo moet zijn dat je dood gaat,
dan kom je voor altijd bij mij.
Ik neem je mee naar mijn bestaan,
maar nu eerst nog leven.
Want je tijd is nog niet gekomen,
maar blijf maar fijn van mij dromen.
Als het je tijd is zal ik komen
en je weghalen uit je dromen."